Harma Heikens

2014 Sep 22 - Sep 22

Dautzenberg Speech

Speech 'Het voorrecht om aanstoot te nemen' ('The privilege to take offense') that Anton Dautzenberg wrote for the opening of Harma Heikens Exhibition, September 22, 2014. Fabulous.



22 september 2014
Het voorrecht om aanstoot te nemen
- Lezing A.H.J. Dautzenberg bij opening Harma Heikens

Afgelopen zaterdag opende A.H.J. Dautzenberg de tentoonstelling All is fair in love and war van Harma Heikens in KochXBos in Amsterdam. De toespraak die hij hield wordt hier voor het eerst gepubliceerd. Een belangrijke tekst, over het Opschonend Realisme, de ‘plicht’ van de kunst om taboes te verkennen en over het nieuwe boek van Dimitri Verhulst, maar over veel en veel meer. Kunstenaars aller landen, enfin, verenigt u, maar niet zonder het oneens met elkaar te zijn. 

‘Lieve Sarah, durf de waanzin toe te laten, durf onaangepast te zijn. En luister vooral niet naar politici en critici.’ Deze woorden richtte de 85-jarige theatermaker Erik Vos vorige week tot een jongere collega tijdens een publieke ontmoeting op het Theaterfestival in Bellevue. Een aanmoediging, zeker, maar vooral ook een verzuchting. Het Opschonend Realisme heeft ook de kunsten bereikt en, erger nog, behoorlijk in zijn greep. De woorden van Vos hangen als een roze wolk boven deze lezing. ‘Lieve Sarah, durf de waanzin toe te laten, durf onaangepast te zijn. En luister vooral niet naar politici en critici.’
De meest indrukwekkende film die ik het afgelopen jaar zag was de documentaire The Act Of Killing – ik schreef hierover in het boek De Fictiefabriek. Anwar Congo is een van de mannen die in de jaren zestig in opdracht van Soeharto ‘communisten’ vermoordden – voor de goede orde: alle tegenstanders van Soeharto werden communist genoemd.

Documentairemaker Joshua Oppenheimer vraagt Congo en zijn vrienden van weleer om de gebeurtenissen van toen op een artistieke manier te ensceneren. Hun wordt voorgehouden dat ze helden zijn, helden die het land destijds een grote dienst hebben bewezen. Hun daden moeten worden vereeuwigd voor het nageslacht.

Kunst heeft in Oppenheimers opvatting meer zeggingskracht dan journalistiek of wetenschap – en dat brengt hij overtuigend over het voetlicht. De ijdelheid van de mannen wordt gestreeld – ze verven hun haar, hijsen zich in vrouwenkleren – en spelen stoer de meest gruwelijke daden na. Ze tonen hoe ze de communisten zo efficiënt mogelijk om zeep hielpen. IJzerdraad in een lus om de nek, het uiteinde vastmaken aan de muur en dan met het volle gewicht achteroverleunen. De hese geluiden van de stervenden doen ze lachend na. Ze zijn immers filmsterren. Sporadisch sijpelen schaamte en spijt door, maar die gevoelens worden snel weer weggedrukt. Ze zijn helden, kunstenaars, geen moordenaars.
Maar dan breekt het moment aan dat de horribele herinneringen het winnen van de drogredenen die Congo hanteert om de gruweldaden voor zichzelf te vergoelijken. Zelden zag ik zoiets aangrijpends. De geest komt in opstand, walgt van zichzelf en wil, nee moet ontsnappen uit het verderfelijke lichaam. De geluiden die tijdens dit exorcisme uit de keel van Congo opborrelen gaan door merg en been. Ik zag het schokkende lijf van een gebroken moordenaar op een voormalige executieplaats en kreeg medelijden met de man, met de mens, met de schepping. De mens is dader en slachtoffer tegelijk…

‘Laten we er kunst van maken’, zei regisseur Oppenheimer tegen de mannen. Kunst inzetten om dieper liggende waarheden te evoceren. Het werkte.
Niet alle kunstenaars zullen zo bewust hun kunstenaarschap inzetten om effect te sorteren. Bij de meesten komt het werk intuïtief tot stand. Natuurlijk heeft een kunstenaar zijn thema’s en de motieven om die te verkennen, maar die worden meestal pas achteraf zichtbaar, na het scheppen – of ze blijven onzichtbaar, ook niet verkeerd.

En zo kom ik uit bij het werk van Harma Heikens. Ik heb sterk de indruk dat zij intuïtief te werk gaat, instinctief zelfs. Een paar weken geleden stuurde ze mij een mail die mij in die opvatting sterkte. Ik citeer: ‘Tot voor kort dacht ik tijdens het maken van een werk nooit: “Oei, kan dit wel?” Nu om de haverklap. Heel kwalijk. Het sluipt erin.’ De mail toonde niet alleen haar inzet, maar bevestigde ook het feit dat het Opschonend Realisme de ateliers van onze interessantste kunstenaars niet ontziet.

Tot voor kort was het vanzelfsprekend dat een kunstenaar de vrijheid heeft om door te dringen tot thema’s die in de samenleving om de een of andere reden taboe zijn verklaard. Die thema’s vinden – al dan niet tijdelijk – onderdak in de vrijplaats die de kunst biedt, en ze kunnen in die vrijplaats worden verkend, zonder morele restricties. Alle gradaties van angst komen zo terecht in het atelier van de schilder, de beeldhouwer of de schrijver. Aan haar of aan hem de taak om die angsten te benutten, te absorberen, te negeren, te vervormen of te spiegelen. Zoals gezegd, tot voor kort was dit een vanzelfsprekendheid.

Tijden veranderen en opvattingen zijn vloeibaar. En laten we eerlijk zijn, de nodige kunstenaars vinden de commodificatie van de kunsten wel best en versnellen daarmee de convergentie die de artistieke vrijheid uitholt. Kunst zorgt voor verstrooiing, kunst is rendabel en kunst hoeft helemaal niet te verontrusten – liever niet, eigenlijk. Voldoe je hier niet aan, dan word je ter verantwoording geroepen. Door de buitenwacht, dat viel te verwachten, maar in toenemende mate ook door de binnenwacht, en dat is relatief nieuw.

Onlangs verscheen de nieuwe roman van Dimitri Verhulst, Kaddisj voor een kut – overigens een prachtboek. Enkele boekhandelaren riepen de uitgever ter verantwoording; die titel moest worden veranderd, dat kon zo niet, zeker in deze tijd. Boekwinkels – in mijn ogen distributeurs van ideeën, van de vrijheid van meningsuiting, om maar eens grote woorden te gebruiken – riepen de uitgeverij op de schrijver te censureren. En dan die bijzin: zeker in deze tijd. Zeker in deze tijd…

Een kunstenaar die zich niet aan de heersende moraal houdt, een kunstenaar die reuring veroorzaakt, een kunstenaar die de rafelranden van de moraal onderzoekt die provoceert natuurlijk. Hij of zij is een aandachttrekker, een rellenjunk, een gemakzuchtige provocateur. En zo iemand past niet in deze tijd. Zeker in deze tijd.
En dáár maken de moraalridders een grote denkfout. Het is immers niet de kunstenaar die ontregelt, het is de beschouwer. Hij of zij projecteert zijn – laat ik het keurig formuleren – fantasieën en verlangens op een boek, op een sculptuur, schrikt daarvan, want de communis opinio getuigt van andere zaken, en hop, zijn keurig aangeharkte wereld is ontregeld. Dat duurt overigens niet lang – het psychologisch immuunsysteem is een prima weermiddel – en dus wordt al snel geconcludeerd: de kunstenaar provoceert. Die constatering stelt gerust. De kunstenaar geeft aanstoot. Punt. We zijn het verleerd om aanstoot te kunnen nemen.

De gebruikte motieven worden dus uitvergroot, vooral ‘lichamelijkheid’ ligt gevoelig – terwijl we toch echt allemaal een lichaam hebben –, de motieven worden dus uitvergroot en de thema’s, die verdwijnen naar de verre achtergrond. En dat terwijl de poëtische kern van een kunstwerk meestal een andere is dan de esthetische kern – en dat maakt een kunstwerk juist zo spannend. Een met stront vergulde middelvinger, zoals Harma die verbeeldde, kan weerzin oproepen, maar tegelijkertijd diep, diep ontroeren. Een fantasmagorie die het gebruik van toiletpapier zowel aan- als ontmoedigt, ik geef het u te doen. Grote kunst – en dat is geen ironie.

Harma Heikens werkt onder het teken van de contaminatie, verschillende werelden smeedt ze aan elkaar. Hoog en laag, heilig en werelds, het verhevene versus het banale en, niet onbelangrijk: het rationele versus het pre-rationele.
De verschillende werelden die in die kunstwerken besloten liggen willen van elkaar loskomen, aan elkaar ontsnappen, maar ze zijn tot elkaar veroordeeld. En dat is maar goed ook, want juist die ambiguïteit maakt dat je zowel de aandrang kunt krijgen om tegen een kunstwerk aan te pissen als er overheen te ejaculeren – voor de goede orde: beide activiteiten zijn overdrachtelijk bedoeld, het realisme is al veel te ver doorgedrongen tot de hedendaagse kunstbeleving, met dank aan Sander van Walsum en de Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen.
De titel van deze tentoonstelling is dan ook goed gekozen. All is fair in love and war.

Liefde en oorlog liggen dicht bij elkaar, maar zijn tegelijkertijd mijlenver van elkaar verwijderd. Twee planeten die keihard op elkaar kunnen botsen, maar die net zo goed in een lavalamp kunnen versmelten.
Ik roep de beelden van The Act Of Killing opnieuw in herinnering. De mens is dader en slachtoffer tegelijk. Het werk dat hier vandaag wordt gepresenteerd toont ook die dichotomie. De verbeelde objecten, kinderen veelal, zijn tegelijk dader en slachtoffer, schuldig en onschuldig. Indringende kunst. Voor wie het wil zien. Voor wie het durft te zien.

Terug naar de positie van de beschouwer, de betekenisgever. De beschouwer is in toenemende mate bang om te genieten van de zojuist geschetste disbalans. Hij of zij durft geen aanstoot meer te nemen. Hij of zij is bang om de eigen identiteit kwijt te raken, al is het maar voor even, bang om de eigen instincten te horen zingen. Het aanstootgevende krijgt dus de schuld.
Deze reflex wordt uiteraard versterkt door de heersende groepsmoraal, maar laten we dat alsjeblieft geen excuus noemen. Door de verstikkende zedelijkheid neemt het poëtisch potentieel van een kunstwerk alleen maar toe, maar de durf om dat te ontsluiten neemt helaas af.

Dat leidt in toenemende mate weer tot een andere reflex: de kunstenaar gaat zichzelf censureren – of achteraf relativeren. En laten we ook dat alsjeblieft geen excuus noemen.
Het kunstwerk, de kunstenaar en de beschouwer vormen samen een kwetsbare triptiek. De door mij gekozen volgorde vertegenwoordigt een duidelijke prioritering: het kunstwerk is leidend, de kunstenaar met zijn expressie is dienend (in overdrachtelijke zin dan) en de beschouwer, die moet vooral aan zijn lot worden overgelaten. Laat de angst zich vooral dáár openbaren waar hij thuishoort: bij de beschouwer. En laat hem of haar daar zijn of haar voordeel mee doen.

Nog een triptiek, met een door mij aangebrachte prioritering, ik breng graag ordening aan in mijn chaotische geest: godsdienstige belangen en politieke belangen zijn in wezen inferieur aan seksuele belangen. Sterker nog, ze komen daar veelal uit voort. Zoals ik al eerder opmerkte: we hebben allemaal een lichaam, ook al doen we nog zo ons best om dat te ontkennen.
Vrijwel alle beelden van Harma lijken dit spanningsveld te verkennen, te voeden zelfs. Steeds is er die verleidelijke, erotiserende blik die de aandacht probeert af te leiden van de wereldse en religieuze gevaren. Het naïeve kind lijkt verdwaald te zijn in de volwassen machinaties, maar weet verdomd goed hoe het die situatie moet regisseren, hoe het die situatie moet manipuleren.

Godsdienstige belangen en politieke belangen zijn in wezen inferieur aan seksuele belangen. In Harma’s wereld probeert zelfs de dood onder rokjes te kijken. Althans dat projecteer ik op de sculptuur ‘God hates us all’. En die projectie bevalt mij prima.
Laten we hierbij vooral niet vergeten dat de werkelijkheid vloeibaar is, dat zij voortdurend aan verandering onderhevig is. De werkelijkheid is een constructie, een poging om de metafysische leegte te vullen met magische formules en toverloof. Schijntheorieën moeten het leven injecteren met inhoud en zingeving, moeten ons geruststellen.

Laten we er dus geen doekjes om winden: alle vrijheid is schijnvrijheid. En alle tolerantie is schijntolerantie, alle heiligheid schijnheiligheid en alle oprechtheid schijnoprechtheid. Druk je op de verkeerde knop, in de optiek van de ander welteverstaan, dan zal zelfs de meest vrije geest in een fractie van een seconde transformeren in een wraaklustig despoot. Het omgekeerde geldt ook, en dat maakt de zaak er niet bepaald eenvoudiger op. De mens is dader en slachtoffer tegelijk.

Hoog tijd voor troostende woorden.

Volgens de Italiaanse kunstenaar / regisseur / dichter / filosoof / moralist / pedagogisch pederast / humanist / dorpsgek / koppige anarchist Pier Paolo Pasolini zijn domme reacties op een kunstwerk niet alleen een uiting van een fundamenteel minderwaardigheidscomplex, maar ook een residu van een abstracte goedheid. Een interessante observatie. Een geruststelling wellicht. Minderwaardigheid. Abstracte goedheid. Je zou bijna van domme mensen gaan houden.
Dan W.F. Hermans. Kunstenaars zijn in zijn opvatting individuen die hun maatschappelijke eer eraan geven en dus verschoppelingen worden, en wier ‘enige eer’ het is dat ze verborgen waarheden aan het licht brengen – Hermans stond niet bekend om zijn subtiele opvattingen. Ik vind dat we niet moeten overdrijven; zo nu en dan een beetje erkenning is natuurlijk geen straf. Ook een kunstenaar heeft een lichaam.

Volgens Hermans en andere puristen is ongelukkig worden voor een kunstenaar een plicht. Onzin natuurlijk, voor een kunstenaar is ongelukkig worden een gunst. Net zoals het voor de kunstliefhebber of -hater, vaak verenigd in een en dezelfde persoon, een gunst is om aanstoot te nemen, een voorrecht. Ik zou tegen alle kunstliefhebbers- en haters willen zeggen: maak daar gebruik van!

Vooruitgangsfilosofen zouden wellicht eindigen met de woorden: alleen met een vorm van extremisme dwing je vooruitgang af. Ik kies liever andere woorden: wie bij het werk van Harma Heikens extremisme ervaart, houdt vooruitgang tegen.
Lieve Harma, durf de waanzin toe te laten, durf onaangepast te zijn. En luister vooral niet naar politici en critici.


©2014 Anton Dautzenberg